Fiscale tips maart 2015

Fiscale tips augustus 2016

Fiscale tips maart 2015


In dit nummer onder andere:

 

  • Lichtere bewijslast voor aansprakelijk gestelde oud-dga
  • Voorvoegingsverlies uit beëindigde FE te verrekenen
  • Nieuw besluit over fusies en splitsingen met bv’s
  • Feest na studiedag is toch belast loon
  • Laadpaal voor bedrijfsauto hoort bij terbeschikkingstelling
  • Ook bv kan immateriële schadevergoeding eisen

 

De ondernemer en de dga

 

Toets recht op MIA is tamelijk streng

Uit een recente uitspraak van Rechtbank Den Haag blijkt dat de Belastingdienst de voorwaarden voor toepassing van de milieu-investeringsaftrek (MIA) streng mag uitleggen. Een kleine inbreuk kan al leiden tot een volledige afwijzing van de aanvraag. Luidt bijvoorbeeld voor een bepaald bedrijfsmiddel dat voor de productie alleen duurzaam hout mag worden gebruikt, dan zal het gebruik van ander hout leiden tot afwijzing van de MIA. Ook als het niet-duurzame hout maar een klein deel van de totale investering vertegenwoordigt.

 

Let op!

Als een ondernemer de MIA wil toepassen, moet hij investeren in bedrijfsmiddelen die zijn vermeld op de Milieulijst MIA/VAMIL. Hij moet de MIA in ieder geval binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting aanmelden bij RVO.nl.

 

Geen verlies aftrekbaar bij gratis borg staan

 

Rechtbank Gelderland heeft onlangs duidelijk gemaakt dat het zonder tegenprestatie borg staan voor de schulden van de eigen bv de aftrek van een borgstellingsverlies in de weg staat. Ook al kan de lening waarvoor men borg staat zakelijk genoeg zijn, het gaat erom of een zakelijk handelende derde ook het risico zou nemen. Als een derde door borg te staan een hoog risico loopt, zal hij op zijn minst een redelijke borgstellingsvergoeding willen ontvangen. Het ontbreken van zo’n vergoeding is dus onzakelijk. Als na verloop van tijd een vergoeding van 1% wordt toegekend, maakt dit de borgstelling niet (met terugwerkende kracht) zakelijk.

 

Lichtere bewijslast voor aansprakelijk gestelde oud-dga

 

Als een dga alle aandelen in een bv, die haar fiscale verplichtingen kan voldoen, verkoopt terwijl de bv later toch failliet gaat, kan de fiscus de oud-dga niet zomaar aansprakelijk stellen. In een zaak voor Hof Amsterdam vond het hof dat de oud-dga onvoldoende onderzoek had gedaan. Volgens het hof had hij zich ervan moeten vergewissen dat de koper van zijn aandelen de vrijval van een herinvesteringsreserve netjes zou afhandelen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof in deze zaak is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Heeft de bv op het moment van de aandelenverkoop voldoende middelen voor het voldoen van fiscale claims, dan kan de ontvanger van de belastingen het latere gebrek aan middelen niet zomaar wijten aan de oud-dga. Pas als de oud-dga op het moment van de aandelenverkoop wist of behoorde te weten dat de bv naderhand zou worden ‘leeggehaald’, zodat de ontvanger zijn vordering niet kan verhalen, kan de fiscus de oud-dga aansprakelijk stellen. De oud-dga moet wel aantonen dat hij inderdaad niets kon afweten van de plannen van de verkoper. Deze bewijslast gaat echter minder ver dan Hof Amsterdam had gesteld.

 

Vennootschapsbelasting

 

Voorvoegingsverlies uit beëindigde FE te verrekenen

 

Uit een uitspraak van Rechtbank Den Haag blijkt dat een holding, die tot een fiscale eenheid (FE) heeft behoord, onder voorwaarden de voorvoegingsverliezen van een dochtermaatschappij kan verrekenen met latere eigen winsten. Een van de voorwaarden is dat de FE niet meer bestaat. Gedurende het bestaan van de FE zijn de voorvoegingsverliezen van een gevoegde maatschappij immers alleen te verrekenen met de winst van de FE voor zover deze winst is toe te rekenen aan die maatschappij. Als tweede voorwaarde geldt dat de fiscale eenheid is beëindigd door de ontbinding en vereffening van een dochtermaatschappij. Dit telt namelijk niet als een ontvoeging. Eindigt de FE wel door ontvoeging, dan is een wettelijke bepaling van toepassing die de verrekening van voorvoegingsverliezen beperkt.

 

Nieuw besluit over fusies en splitsingen met bv’s

 

Onlangs zijn drie besluiten over juridische fusie, afsplitsing en zuivere splitsing in de vennootschapsbelasting geactualiseerd. De Belastingdienst merkt de overgang van het vermogen van bv’s die betrokken zijn bij fusies en splitsingen aan als een vervreemding. In beginsel leidt een juridische fusie of (af)splitsing daarom tot belastingheffing. Op verzoek kan een soort doorschuiving plaatsvinden. In de nieuwe besluiten is een verruiming opgenomen. Als het verzoek om doorschuiving te laat is ingediend, kan de fiscus de faciliteit met terugwerkende kracht tot en met 27 januari 2015 alsnog verlenen. De betrokken bv’s moeten dan wel voldoen aan alle voorwaarden voor toepassing van de faciliteit. De toelating van late verzoeken is ook van toepassing op de goedkeuring voor het meegeven van voorwaartse verliesverrekening. Verder kunt u in de besluiten lezen hoe u vorderingen, die vanwege de fusie of splitsing van een bv verdwijnen, fiscaal moet afhandelen. Voor meer informatie over de mogelijkheden van herstructurering kunt u bij ons terecht.

 

Rood kunnen staan telt ook als kredietarrangement

 

Als bv’s binnen een groep zich onderling garant stellen voor de schulden van de andere vennootschappen, kunnen zij aanlopen tegen het zogeheten paraplufinancieringsarrest. In dit arrest uit 2013 oordeelde de Hoge Raad dat de motieven van deze garantstelling liggen in de onderlinge verhoudingen. Daarom zijn de kosten en verliezen die voortvloeien uit zo’n garantstelling niet aftrekbaar. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft geoordeeld dat gewoon rood staan ook kan tellen als een kredietarrangement dat kwalificeert als paraplufinanciering. In de zaak voor de rechtbank was een groep bv’s met een bank een gemeenschappelijke kredietfaciliteit overeengekomen. Daarbij stelde iedere bv zich garant voor de schulden van de andere bv’s. Toen de holdings hun deelnemingen verkochten, verrekende de bank enkele tekorten van de deelnemingen met de saldi van de holdings. De rechter vond dat in deze zaak ook sprake was van paraplufinanciering, zodat de holdings met betrekking tot de verrekening geen kosten mochten aftrekken.

 

BTW

 

Kritiek op btw-regels voor elektronische diensten

 

Sinds 1 januari 2015 is voor wat betreft de btw de plaats van een elektronische dienst daar waar de afnemende particulier of ondernemer woont. Aanbieders van telecommunicatie-, omroep- en elektronische diensten moeten dus de btw-melding en EU-btw-betaling over deze diensten doen in alle EU-lidstaten waar hun diensten worden afgenomen. De ondernemingsorganisatie VNO-NCW heeft de staatssecretaris van Financiën laten weten dat vooral kleine ondernemers deze wijziging ervaren als een groot probleem. Ook zou de extra administratieve rompslomp en kosten voor bepaalde ondernemers zelfs reden zijn om het aanbieden van grensoverschrijdende diensten te staken. De staatssecretaris heeft nu laten weten dat hij bereid is om de informatie die al door de Belastingdienst is verstrekt nog toegankelijker te maken. Ook wil hij graag overleggen met betrokken partijen over de door hen gesignaleerde problemen. Wel benadrukt hij dat een aanpassing van de regels alleen op Europees niveau mogelijk is. Hij wijst ook op de mogelijkheid voor Nederlandse bedrijven om zich tot 10 april 2015 nog te registeren voor de mini-one-stop-shop (MOSS) bij de Belastingdienst. Ondernemers die gebruik maken van de MOSS-regeling kunnen de btw-melding en betaling via de Nederlandse Belastingdienst doen. De Belastingdienst verdeelt de btw-afdracht dan over de lidstaten die daar recht op hebben. De staatssecretaris maakte tot slot ook bekend dat de Belastingdienst binnenkort een digitaal registratieformulier beschikbaar zal stellen in het Persoonlijk Domein voor ondernemers.

Wilt u meer informatie over deze regeling? Neem dan contact met ons op.

 

Let op!

Ook al mag een ondernemer op grond van de MOSS in één EU-land btw aangeven, dan nog moet hij het btw-tarief berekenen dat geldt in het land waar de klant woont.

 


Gerelateerde artikelen